Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:316.
Vanaf 24 maart 2014 heeft de verdediging zich kunnen en moeten realiseren dat, uitgaande van de situatie in Nederland, de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 zou plaatsvinden, terwijl [verdachte] nog in detentie in Peru verbleef. Evenzeer heeft de verdediging zich toen moeten realiseren dat een verhoor van [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding tot de mogelijkheden behoorde, maar dat daar wel een rechtshulpverzoek en technische voorzieningen voor benodigd waren (zie hiervoor onder 1 e). Echter, zolang de verdediging niet kenbaar maakt dat [verdachte] bereid is om aldus een verklaring af te leggen, zal iedereen - met recht - uitgaan van de door de raadsman op 25 november 2013 ter zitting afgelegde verklaring dat [verdachte] niet verhoord wenst te worden via videoconferentie of een rogatoire commissie en niet zal verklaren zolang hij gedetineerd is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e00cae3c1b23a4d077dd309cf7a88ecbb75c2c18ba451260b549949baeefa43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e00cae3c1b23a4d077dd309cf7a88ecbb75c2c18ba451260b549949baeefa43, en de alinea staat in dat document op bytes 19401 tot 20301.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6e00cae3c1b23a4d077dd309cf7a88ecbb75c2c18ba451260b549949baeefa43 | shasum -a 256