Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016
Onder 4.27 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:339.
Art. 110 VWEU (voorheen art. 90 EG-Verdrag) verbiedt de producten van andere lidstaten aan zwaardere binnenlandse belastingen te onderwerpen dan vergelijkbare nationale producten. Deze regel is op fiscaal gebied de onmisbare grondslag van de gemeenschappelijke markt. Art. 110 VWEU bevat derhalve een antidiscriminatieverbod, dat duidelijk is en onvoorwaardelijk bindend is. Justitiabelen kunnen aan art. 110 VWEU rechtstreeks rechten ontlenen (HvJ EG 16 juni 1966, zaak C-57/65 (Lütticke), Jurispr. 1966, p. 346). Met betrekking tot de belasting op ingevoerde gebruikte voertuigen heeft het Hof van Justitie EG geoordeeld dat art. 90 EG-Verdrag (thans art. 110 VWEU) de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen beoogt te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde producten (HvJ EG 11 december 1990, zaak C-47/88 (Commissie/Denemarken), Jurispr. 1990, p. I-4509, punt 9, HvJ EG 9 maart 1995, zaak C-345/93 (Nunes Tadeu), Jurispr. 1995, p. I-479, punt 18, en HvJ EG 19 september 2002, zaak C-101/00 (Tulliasiamies en Siilin), NTFR 2002/1425). Volgens vaste rechtspraak wordt art. 90, eerste alinea, EG-Verdrag geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde product en die op het soortgelijke nationale product op verschillende wijze en volgens verschillende modaliteiten worden berekend, waardoor het ingevoerde product, zij het slechts in sommige gevallen, hoger wordt belast (HvJ EG 23 oktober 1997, zaak C-375/95 (Commissie/Griekenland), Jurispr. 1997, p. I-5981, punt 20 en 29, HvJ EG 2 april 1998, zaak C-213/96 (Outokumpu), Jurispr. 1998, p. I-1777, punt 34, en HvJ EG 22 februari 2001, zaak C-393/98 (Gomes Valente), NTFR 2001/383). Een nationale belastingregeling die erop is gericht een concurrentievoordeel van ingevoerde producten ten opzichte van nationale producten teniet te doen, is kennelijk in strijd met art. 90 EG-Verdrag (HvJ EG 9 maart 1995, zaak C-345/93 (Nunes Tadeu), Jurispr. 1995, p. I-479, punt 18). Het gemeenschapsrecht staat in de huidige stand van zijn ontwikkeling niet in de weg aan de vrijheid van iedere lidstaat om aan de hand van objectieve criteria voor bepaalde producten, zelfs indien deze gelijksoortig zijn in de zin van art. 90, eerste alinea, EG-Verdrag, een stelsel van gedifferentieerde belastingheffing in te voeren. Zulke differentiaties verdragen zich evenwel slechts met het gemeenschapsrecht, wanneer zij gericht zijn op de verwezenlijking van economische beleidsoogmerken die zelf ook met de vereisten van het EG-verdrag en van het afgeleide recht verenigbaar zijn, en wanneer in de uitvoeringsbepalingen iedere rechtstreekse of indirecte discriminatie van importen uit andere lidstaten of iedere vorm van bescherming van concurrerende nationale producties wordt vermeden (HvJ EG 7 april 1987, zaak C‑196/85 (Commissie/Frankrijk), Jurispr. 1987, p. 1597, punt 6, HvJ EG 2 april 1998, zaak C‑213/96 (Outokumpu), Jurispr. 1998, p. I-1777, punt 30, en HvJ EG 29 april 2004, zaak C‑387/01 (Weigel), Jurispr. 2004, punt 85). Het is met het in art. 90 EG-Verdrag (thans art. 110 VWEU) neergelegde discriminatieverbod in strijd, wanneer men de hogere belasting doet afhangen van een criterium dat per definitie nimmer van toepassing kan zijn op nationale producten die gelijksoortig zijn. Een dergelijke regeling zou de nationale producten bij voorbaat uitsluiten van de zwaarste belasting (HvJ EG 15 maart 1983, zaak C‑319/81 (Commissie/Italië), Jurispr. 1983, p. 601, punt 17). Het Hof van Justitie EG heeft tevens geoordeeld dat een gedifferentieerde belasting zich niet verdraagt met het gemeenschapsrecht, wanneer de zwaarst belaste producten naar hun aard ingevoerde producten zijn (HvJ EG 4 maart 1986, zaak C-106/84 (Commissie/Denemarken), Jurispr. 1986, p. 833, punt 21). Met betrekking tot het criterium gelijksoortigheid, dat bij het verbod van art. 90 EG-Verdrag (thans art. 110 VWEU) van fundamenteel belang is, moet worden onderzocht of de producten uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen. Het begrip gelijksoortigheid moet ruim worden uitgelegd en bij de beoordeling van de gelijksoortigheid moet niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf worden genomen. Bij de vraag of twee categorieën goederen gelijksoortig zijn, moet dus enerzijds worden gelet op al hun objectieve kenmerken en anderzijds op het feit dat zij uit verbruikersoogpunt al dan niet aan dezelfde behoeften voldoen; of dit het geval is moet niet worden afgemeten aan de bestaande consumentengewoonten, maar aan de mogelijke ontwikkeling van deze gewoonten, en vooral aan de objectieve kenmerken van een product, die maken dat het voor bepaalde groepen consumenten aan dezelfde behoeften tegemoetkomt als een ander product (HvJ EG 4 maart 1986, zaak C-106/84 (Commissie/Denemarken), Jurispr. 1986, p. 833, punt 12 en 15).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0874109f311a64381bd1826fba1bdd96c728210047777469cb210054ebe321e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0874109f311a64381bd1826fba1bdd96c728210047777469cb210054ebe321e4, en de alinea staat in dat document op bytes 194712 tot 199632.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0874109f311a64381bd1826fba1bdd96c728210047777469cb210054ebe321e4 | shasum -a 256