Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Onder 3.11 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:342.

In middelonderdeel 2 wordt opgekomen tegen de door het Hof gegeven overwegingen in rov. 2.8. Het Hof heeft daar, volgens het middel, het beroep op verkrijgende verjaring afgewezen op de (enkele) grond dat ingevolge art. 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter de eigenaar is, niet geldt in het onderhavige geval. Dit oordeel is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Voor zover rov. 2.8, laatste volzin, een oordeel bevat inzake het bezit van het perceel is dat onbegrijpelijk, dan wel is het Hof buiten het partijdebat getreden, dan wel had het Hof dit oordeel niet mogen geven zonder de erven [betrokkene 1] eerst in de gelegenheid te stellen conform hun bewijsaanbod getuigen te horen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d77c16b3bd03cef40f12d0f97b8a795686c6e730cfb7e4458ddcfc5b387b9501. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d77c16b3bd03cef40f12d0f97b8a795686c6e730cfb7e4458ddcfc5b387b9501, en de alinea staat in dat document op bytes 39187 tot 39906.