Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016
Onder 2.2. Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:347.
Incidenteel onderdeel 4 : (i) Voor zover het hof (in rov. 2.2 van zijn tweede tussenarrest) de regeling van het mandaat in titel 10.1 Awb van toepassing heeft geacht, heeft het hof miskend dat een ‘aanwijzing’ als bedoeld in art. 49 Rv geen kwestie van mandatering is. (ii) Indien en voor zover het hof (voor het antwoord op de vraag of sprake is van een betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’) van belang heeft geacht of er feiten en omstandigheden zijn gesteld die maken dat de belastingplichtige erop mocht vertrouwen dat de betrokken receptioniste bevoegd was om een afschrift van het exploot voor de Ontvanger in ontvangst te nemen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting: voor een betekening in persoon vereist art. 143 lid 2 Rv uitdrukkelijk dat de betreffende persoon is ‘aangewezen’. Enkel de omstandigheid dat de belastingplichtige ‘erop mocht vertrouwen dat de receptioniste was aangewezen’ is daarom niet voldoende om de termijn voor verzet tegen het verstekvonnis te doen aanvangen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/82da83958e17adf89bdce28112d05ef98365b7f84dd02e22f4b36651e973638e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 82da83958e17adf89bdce28112d05ef98365b7f84dd02e22f4b36651e973638e, en de alinea staat in dat document op bytes 16606 tot 17734.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/82da83958e17adf89bdce28112d05ef98365b7f84dd02e22f4b36651e973638e | shasum -a 256