Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Onder 3.7 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:351.

Nu zou in het licht van subonderdeel 2.1.1 (zie ook [eiser] s.t. nrs. 2.10 en 2.12) de vraag kunnen rijzen of het hof anders zou hebben geoordeeld indien met name het in rov. 5 bedoelde verlies van de investering niet zou zijn beoordeeld in het door de grief aangedragen kader van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar in het kader van de tenzij-bepaling. Het slot van rov. 5 zou in die zin kunnen worden opgevat. Ik meen echter dat voor die aanname onvoldoende reden is. Het hof wijst immers in rov. 5 op twee redenen die ook in het kader van de tenzij-bepaling tot het oordeel kunnen leiden dat daarmee onvoldoende tegenwicht wordt geboden tegenover het uitgangspunt van rov. 4 dat gezien de huurachterstand sprake is van een voldoende ernstige tekortkoming: contractueel bestaat geen recht op vergoeding voor deze investeringen en bovendien is gesteld noch gebleken dat Staedion daardoor is verrijkt. De subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2 dienen daarom te falen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f18193c8e6da64f70e7628bb34d9a7c61cc49b3d568dd4ecdc37453901eff865. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f18193c8e6da64f70e7628bb34d9a7c61cc49b3d568dd4ecdc37453901eff865, en de alinea staat in dat document op bytes 28173 tot 29171.