Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:352.

Soms wordt bij het uitlenen van geld door partijen in het midden gelaten wanneer de lener moet terugbetalen. Het ontbreken of de vaagheid van een tijdsbepaling in een overeenkomst van verbruikleen is volgens Van Schaick een aanwijzing dat de overeenkomst bij wijze van vriendendienst is aangegaan. De meeste overeenkomsten waarbij bij wijze van vriendendienst een zaak of geld wordt uitgeleend zonder dat expliciete afspraken worden gemaakt over het tijdstip van teruggave, kunnen naar zijn mening worden uitgelegd als de overeenkomst onder de (opschortende) voorwaarde dat de schuldenaar het geleende zal teruggeven wanneer hij daartoe in staat zal zijn. De verbintenis tot teruggave wordt dan opeisbaar zodra de lener in de omstandigheid komt te verkeren dat hij het geleende aan de uitlener kan teruggeven. Op grond van art. 150 Rv zou de uitlener dan moeten bewijzen dat de lener in staat is om zijn teruggaveplicht na te komen. Art. 7A:1798 BW bepaalt echter anders:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a, en de alinea staat in dat document op bytes 17001 tot 18049.