Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:352.

De uitlener hoeft dus niet te bewijzen dat de lener in staat is terug te betalen. Art. 7A:1798 BW verplicht de rechter om, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het tijdstip van de terugbetaling te bepalen. De rechter dient dit zonodig ambtshalve te doen, zo is af te leiden uit HR 24 november 1927. De uitlener kan daarbij volstaan met het stellen van de inhoud van de overeenkomst en op grond daarvan teruggave vorderen of vorderen dat de rechter het tijdstip van teruggave bepaalt. Bij wijze van verweer kan de lener dan om vaststelling van een termijn of om vaststelling van een andere termijn vragen. De rechter is vrij in het bepalen van het tijdstip van teruggave. Hij kan dus ook beslissen dat de teruggave terstond moet geschieden. Art. 7A:1798 BW staat er niet aan in de weg dat de uitlener - al dan niet overeenkomstig een primaire vordering - wordt toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de lener al langer in staat is om zijn teruggaveplicht in te lossen. Als de uitlener in dat bewijs slaagt, kan art. 7A:1798 BW niet - ook niet subsidiair - worden toegepast. De rechter moet dan immers concluderen dat de lener al tot teruggave had moeten overgaan. In dat geval is de lener in verzuim als hij de ingebrekestelling van de uitlener heeft genegeerd, en is hij in elk geval vanaf de dag der dagvaarding de wettelijke rente verschuldigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a, en de alinea staat in dat document op bytes 18389 tot 20090.