Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:352.

In afdeling 7.2.1 NBW, waarin de ‘verbruikleen van geld’ is geregeld (het niet ingevoerde Ontwerp Van Opstall) is art. 7A:1798 BW niet overgenomen. In de toelichting wordt onderkend dat het voor de uitlener moeilijk kan zijn om te bewijzen dat de lener tot terugbetaling in staat is, maar opgemerkt wordt dat dat die bewijslast, ‘die hij nu eenmaal door in het beding toe te stemmen heeft aanvaard, (…) veelal wel [zal] worden verlicht door de omstandigheid dat de lener die ontkent tot teruggave in staat te zijn, die bewering behoorlijk met redenen zal hebben te omkleden.’ Van Schaick stelt dat men mag hopen dat de rechter deze opmerking ter harte zal nemen. Als de uitlener de roerende zaak bij wijze van vriendendienst, uit welwillendheid of genegenheid heeft uitgeleend, gaat het naar zijn mening ver om hem te belasten met het bewijs van de (vermogens)toestand van de lener. Hij bepleit dan ook handhaving van art. 7A:1798 BW.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a, en de alinea staat in dat document op bytes 20189 tot 21274.