Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016
Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:352.
Onderdeel 1.3 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het in rov. 4.5 weergegeven verweer van [verweerder] dat hij het bedrag van € 10.000,- slechts zou terugbetalen als hij daartoe de mogelijkheid had en dat niet bekend was of en eventueel hoe hij dit bedrag zou terugbetalen en op welke termijn, zonder meer aan te merken als een opschortende voorwaarde die rechtens kan worden verbonden aan de uit de wet voortvloeiende verplichting als geldlener om evenveel geld terug te betalen. Daarmee heeft het hof miskend dat in gevallen zoals hier waar geen tijdsbepaling is gemaakt, als regel geldt dat de geldlener het te leen ontvangen geldbedrag op eerste aanvraag van de uitlener moet teruggeven, tenzij de geldlener stelt en bewijst dat partijen iets zijn overeengekomen over een later tijdstip waarop, of omstandigheden en voorwaarden waaronder, het geleende bedrag slechts kan worden teruggevorderd. Indien het hof van oordeel is dat in genoemd verweer van [verweerder] besloten ligt dat hij aldus heeft gesteld dat partijen waren overeengekomen een later tijdstip waarop, althans omstandigheden en voorwaarden waaronder [eiseres] het aan [verweerder] uitgeleende bedrag (slechts) zou kunnen terugvorderen, dan berust dit oordeel op een te ruime uitleg, omdat het verweer niet anders kan worden begrepen dan dat volgens [verweerder] partijen deze geldlening voor onbepaalde tijd dan wel zonder tijdsbepaling zijn overeengekomen. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat [eiseres] het genoemde verweer van [verweerder] en de door hem gestelde voorwaarde heeft bestreden met haar stelling dat partijen voor de geldlening hebben afgesproken dat [verweerder] na ontvangst van het door [eiseres] ter leen betaalde bedrag van € 10.000,- (tevens) de door [eiseres] aan ABN AMRO verschuldigde rente voor het afsluiten van het door haar afgesloten krediet aan [eiseres] zou vergoeden. Volgens het onderdeel nam het hof in strijd met art. 149 Rv als vaststaand feit tot uitgangspunt dat partijen de [verweerder] de door het hof bedoelde, hiervoor weergegeven opschortende voorwaarde zijn overeengekomen. Het onderdeel klaagt tot slot dat het hof met zijn oordeel in strijd met art. 24 Rv de grondslag heeft aangevuld van hetgeen [verweerder] aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd en dat het daarmee tevens een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven nu [eiseres] op de lezing van het hof van genoemd verweer van [verweerder] niet heeft kunnen reageren. Het onderdeel voert in dat verband aan dat [verweerder] louter ter adstructie van zijn verweer dat er sprake was van een schenking heeft gesteld dat hij [eiseres] toen zou hebben aangegeven dat hij geheel onverplicht het bedrag slechts zou terugbetalen als hij daartoe de mogelijkheid had en dat niet bekend was of en eventueel hoe hij dit bedrag zou terugbetalen en op welke termijn. Het onderdeel stelt dat [verweerder] de door hem gestelde voorwaarde bij ontvangst van het aan hem betaalde bedrag in de feitelijke instanties niet heeft verbonden aan diens terugbetalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst van geldlening. Volgens het onderdeel heeft [eiseres] die stelling steeds zo begrepen en bestreden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a, en de alinea staat in dat document op bytes 34449 tot 37729.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a | shasum -a 256