Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Onder 2.21 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:352.

Onderdeel 1.6 klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 de stelling van [eiseres], ingenomen tijdens het pleidooi in hoger beroep, dat niet vaststaat dat [verweerder] nooit kan terugbetalen, ten onrechte heeft aangemerkt als een nieuwe stelling dan wel nieuwe feitelijke onderbouwing van de grondslag van haar vordering. Volgens het onderdeel had het hof die stelling kunnen en moeten begrijpen als een (nader) verweer tegen hetgeen [verweerder] bij wijze van bevrijdend verweer had aangevoerd, te weten dat hij - ten tijde van de behandeling in hoger beroep - nog niet de mogelijkheid had om het aan hem uitgeleende bedrag van € 10.000,- aan [eiseres] terug te betalen. Door de genoemde stelling van [eiseres] in rov. 4.8 aan te merken als een nog niet eerder in de processtukken aangevoerde nieuwe feitelijke onderbouwing van de grondslag van haar vordering die [eiseres] ingevolge de in art. 347 lid 1 Rv besloten liggende twee conclusie regel niet later dan in de memorie van grieven naar voren had moeten brengen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het de stellingen van [eiseres] onbegrijpelijk uitgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d0c15f908a9c1295789004f888982edba24d757ffabd671bc848d4c297ef49a, en de alinea staat in dat document op bytes 43494 tot 44720.