Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2016

Onder 3.17. Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:36.

Ik voeg hieraan toe dat voor zover het gaat om een verbod aan een effecteninstelling als Dexia om een overeenkomst aan te gaan met een cliënt waarvoor is bemiddeld door een tussenpersoon die niet over de vereiste vergunning of vrijstelling beschikt, het tweede lid van art. 3:40 BW bepalend is. Binnen de systematiek van art. 3:40 BW kan ook een bepaling van dwingend recht die het aangaan van een overeenkomst verbiedt, aan de toepassing van de nietigheidssanctie ontkomen als die bepaling niet de strekking heeft om daarmee strijdige rechtshandelingen nietig of vernietigbaar te maken. En juist voor wat betreft de Wte en de Wtk heeft uw Raad in een zaak over een ‘Ponzi-scheme’ (piramidespel) geoordeeld dat dit het geval is. Zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5986, NJ 2012/495 m.nt. F.M.J. Verstijlen, waar werd overwogen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/106cc5c7035fe91c0fc173e55392a970b6e4b9f89efa001e9b079c08d183af10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 106cc5c7035fe91c0fc173e55392a970b6e4b9f89efa001e9b079c08d183af10, en de alinea staat in dat document op bytes 90017 tot 90870.