Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2016
Onder 3.6. Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:36.
Art. 10 Wte 1995 bepaalt dat vrijstelling kan worden verleend van art. 7 eerste lid Wte 1995. Aan de vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van beleggers op die markten. De Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 bevat – als gezegd – op dat punt een nadere regeling. Deze Vrijstellingsregeling bevat ook generieke vrijstellingen, onder meer voor de cliëntenremisier, die als een effecteninstelling heeft te gelden. Zie over deze generieke vrijstelling hierna. Ook vrijgestelde effecteninstellingen moeten ingeschreven zijn met de aan de vrijstelling verbonden beperkingen en voorschriften, zo volgt uit de tweede zin van lid 1 van art. 21 Wte 1995. Dat register wordt gehouden door de STE (thans: AFM), tot wie overigens ook de kennisgeving betreffende het aanbieden of verrichten van effectendiensten wordt gericht, zoals bedoeld in art. 21, lid 1, tweede zin Wte 1995. Zie hierover F.M.A. ’t Hart, De positie van de cliëntenremisier onder de Wte 1995, TvE 2002-5, p. 120-121. Het register is in te zien via de website van de STE (thans: AFM).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/106cc5c7035fe91c0fc173e55392a970b6e4b9f89efa001e9b079c08d183af10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 106cc5c7035fe91c0fc173e55392a970b6e4b9f89efa001e9b079c08d183af10, en de alinea staat in dat document op bytes 61280 tot 62486.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/106cc5c7035fe91c0fc173e55392a970b6e4b9f89efa001e9b079c08d183af10 | shasum -a 256