Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2016
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:366.
Alvorens de onderdelen I en II te bespreken die zijn gericht tegen de eerste zelfstandig dragende grond voor het aannemen van een internationaal aanvaardbare bevoegdheid (de gewone verblijfplaats van de kinderen en het beginsel van perpetuatio fori ), merk ik het volgende op. In cassatie zijn geen klachten gericht tegen rov. 4.2 van de bestreden beschikking. Hierin heeft het hof overwogen dat de vraag naar de erkenning van de beslissingen van de Court of Common Pleas wordt beheerst door het commune Nederlandse internationaal privaatrecht, omdat tussen Nederland en de Verenigde Staten geen verdragen van toepassing zijn die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Eveneens is in cassatie onbestreden dat het hof art. 431 lid 2 Rv van belang heeft geacht en dat voor de vraag of de beslissingen van de Court of Common Pleas voor erkenning in aanmerking komen, voldaan moet zijn aan de in de rechtspraak van de Hoge Raad gestelde voorwaarden voor de erkenning van vreemde vonnissen. Het hof heeft deze (vier) voorwaarden in rov. 4.2 vermeld en overwogen dat partijen van mening verschillen over (i) de voorwaarde dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is en (ii) de voorwaarde dat de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Thans gaat het in cassatie uitsluitend om de eerste voorwaarde inzake de internationaal aanvaardbare bevoegdheid. Voor de volledigheid wijs ik erop dat de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in het commune Nederlandse internationaal privaatrecht – dus buiten de gelding van verdragen en verordeningen – niet wordt beheerst door art. 431 lid 2 Rv, omdat deze bepaling geen betrekking heeft op staatvonnissen, zoals rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Voor de erkenning van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid onder de gelding van het commune internationaal privaatrecht geldt dat de weigeringsgronden neergelegd in art. 23 lid 2 HKV 1996 als richtsnoer kunnen dienen. Dit leidt ertoe (i) dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, moet berusten op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven aanvaardbaar is (vgl. art. 23 lid 2, onder a, HKV 1996), (ii) dat in de buitenlandse procedure de beginselen van behoorlijke rechtspleging in acht moeten zijn genomen (waaronder het horen van het kind, vgl. art. 23 lid 2, onder b, HKV 1996), (iii) dat de erkenning van de beslissing, gelet op het belang van het kind, niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde (vgl. art. 23 lid 2, onder d, HKV 1996) en (iv) dat de beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid niet onverenigbaar mag zijn met een naderhand in Nederland genomen maatregel of (v) met een maatregel die naderhand in de staat van de gewone verblijfplaats van het kind is genomen, welke maatregel in Nederland voor erkenning in aanmerking komt (vgl. art. 23 lid 2, onder e, HKV 1996).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9728ef01cff6d762b33433d2d37620afc237bfb3bbc60d1c509b73d8649cb54f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9728ef01cff6d762b33433d2d37620afc237bfb3bbc60d1c509b73d8649cb54f, en de alinea staat in dat document op bytes 15788 tot 19212.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9728ef01cff6d762b33433d2d37620afc237bfb3bbc60d1c509b73d8649cb54f | shasum -a 256