Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2016

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:367.

Het beroep van de Gemeente c.s. richt zich tegen r.o. 3.5 en 3.8 en valt uiteen in een aantal onderdelen. In de kern wordt het Hof een tweetal verwijten gemaakt. In de eerste plaats zou het Hof ten onrechte, want in strijd met art. 6 lid 3 Fw, zijn uitgegaan van een discretionaire bevoegdheid van de rechter bij de beoordeling van een faillissementsaanvraag (onderdeel 1.1). In de tweede plaats wordt het Hof verweten ten onrechte niet te hebben aangenomen dat [verweerder] in de toestand verkeert te hebben opgehouden te betalen (onderdelen 1.2-1.5). Het eerste verwijt berust op verkeerde lezing van de overwegingen van het Hof en is zonder meer onterecht. Het tweede uiteindelijk ook, al valt op ’s Hofs overweging wel wat aan te merken. Uiteindelijk kan zijn oordeel door de beugel. Ik licht dat hierna toe.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/88ca711b18538b93b37d0aa5b1696ee564a84d3f7db5c5e6d465ce42eb931bcd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 88ca711b18538b93b37d0aa5b1696ee564a84d3f7db5c5e6d465ce42eb931bcd, en de alinea staat in dat document op bytes 15939 tot 16767.