Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016

Onder 4.10.4. Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:369.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Het gaat bij heffing over het fictieve deel van het gebruikelijk loon om het heffen van belasting over inkomsten die niet daadwerkelijk zijn verkregen en die, indien zij in de toekomst alsnog worden verkregen, als dividend of vermogenswinst kunnen toevloeien aan de ontvanger. Daarmee brengt de fictie, nu het Verdrag voor inkomsten uit dienstbetrekking andere toewijzingsregels kent dan voor dividend en vermogenswinst, potentieel een verschuiving teweeg in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en Polen, welke is gebaseerd op het onderscheid naar de aard van de inkomsten (vgl. HR 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8398, BNB 2003/379). Gelet hierop had naar het oordeel van de rechtbank Nederland bij de verdragsonderhandelingen met Polen expliciet moeten informeren over de gebruikelijkloon-regeling. Nu niet vaststaat dat dit is gebeurd, verzet de context althans de goede verdragstrouw zich tegen doorwerking van de fictie van artikel 12a van de Wet LB via artikel 3, § 2, van het Verdrag naar de artikelen 15 en 16 van het Verdrag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a, en de alinea staat in dat document op bytes 88183 tot 89304.