Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016
Onder 2.33 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:369.
Ik behandel nog de vragen of de analyse anders wordt (i) indien de Staat die de fictie invoert (…) na verdragsluiting, daarvan ex art. 2, lid 4, OESO-Modelverdrag mededeling doet aan de andere Staat en deze laatste zich op de verdragsconsequenties van die wijziging beraadt, of (ii) indien de bevoegde autoriteiten van beide Staten na een onderling-overlegprocedure ex art. 25, lid 3, OESO-Modelverdrag overeenstemming bereiken over de wijze waarop een na verdragsluiting door één van beide Staten ingevoerde nationaalrechtelijke fictie onder het Verdrag behandeld moet worden. De vraag is of deze verschijnselen mede de “context” in de zin van art. 3, lid 2, OESO-Modelverdrag bepalen, dan wel een nader (uitvoerings)protocol-achtig verschijnsel opleveren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a, en de alinea staat in dat document op bytes 106379 tot 107158.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a | shasum -a 256