Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016

Onder 7.10 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:369.

Wat daarvan zij, de boodschap van HR BNB 2003/379 c.a. lijkt mij te zijn dat internrechtelijk fictief inkomen dat een benaming krijgt die ook voorkomt in een verdragstoewijzingsbepaling (fictief ‘loon’, fictieve ‘rente’, fictieve ‘pensioenafkoop’, fictieve ‘vervreemdingswinst’, etc.) volgens u altijd onder een toewijzingsbepaling valt (maar niet onder het restartikel), zij het dat de juiste kwalificatie en daarmee de juiste toewijzing pas bepaalbaar is als de fictie werkelijkheid wordt, dus als het vooralsnog slechts gefingeerde inkomen daadwerkelijk ‘verkregen’ wordt. Daarmee strookt het in 5.8 geciteerde arrest HR BNB 2011/160, waarin u conservering van vooralsnog fictief inkomen toeliet, maar invordering niet toeliet zolang de vogel niet geland was, en invordering definitief niet toeliet als de vogel zich na zijn landing in het toewijzingsgebied van de andere Staat zou blijken te bevinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb0e3ec557f1667d7f1107aebcbfb08a5e8d2f7644c671f78af5ff1bb5518f3a, en de alinea staat in dat document op bytes 138512 tot 139451.