Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016
Onder 11.7.1. Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:406.
Op 26 april 2016 deed de Grote Kamer van het EHRM uitspraak. Daarin geeft het EHRM eerst een uitgebreid overzicht van het verloop van de zaak van klager, van de toepasselijke wetgeving en van de internationale ontwikkelingen inzake de levenslange gevangenisstraf en de behandeling van gevangenen. Vervolgens stelt het EHRM vast dat het dispuut beperkt is tot het bezwaar dat klagers levenslange gevangenisstraf de facto niet kon worden verkort en dat klager nooit een aan zijn geestestoestand adequate bejegening had ondervonden. Aldus zou artikel 3 EVRM zijn geschonden. Na een bespreking van de uitspraak van de kleine kamer zet het EHRM nogmaals de relevante beginselen uiteen. Daarbij put het EHRM in het bijzonder uit zijn overwegingen in de zaken Kafkaris en Vinter. Een levenslange gevangenisstraf kan alleen door de beugel van artikel 3 EVRM als er reeds bij oplegging van de straf een mogelijkheid van herbeoordeling en van eventuele reductie van de straf bestaat. De gangbare en internationaal ondersteunde termijn waarbinnen zo een herbeoordeling plaats moet vinden bedraagt 25 jaar. Het is aan de lidstaten om vorm te geven aan deze herbeoordeling. Ook gratieverlening kan aan de eisen voldoen. Herbeoordeling is nodig omdat een vrijheidsbenemende straf zonder een van de penologisch toereikende gronden niet is geoorloofd. Dat er bij de veroordeling een toereikende penologische basis was voor de straf wil niet zeggen dat die naderhand ook nog steeds bestaat. Gratieverlening of invrijheidstelling op grond van medische redenen valt niet binnen de grenzen van het vooruitzicht op invrijheidstelling dat nodig is. De gevangene heeft er recht op dat periodiek wordt gecontroleerd hoe het gesteld is met de penologische rechtvaardiging. Deze controle moet omgeven zijn van voldoende procedurele waarborgen. De gevangene moet kunnen weten wat van hem verwacht wordt met het oog op een invrijheidstelling en daarom moet de beslissing na de controle met redenen zijn omkleed en aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Of een levenslange gevangenisstraf de facto kan worden verminderd kan onder meer beoordeeld worden aan de hand van van statistische informatie over het effect van eerdere herbeoordelingen (§ 98 en 100). Het zou onverenigbaar zijn met de menselijke waardigheid om iemand van zijn vrijheid te beroven zonder te streven naar rehabilitatie en zonder de veroordeelde de gelegenheid te bieden om zijn vrijheid te herwinnen (§ 101). Rehabilitatie strekt ook tot bescherming van de samenleving (§ 102). Ook levenslang gestraften moeten een reële mogelijkheid krijgen, passend binnen de beperkingen van de vrijheidsstraf, zich te rehabiliteren en zo een stadium te bereiken waarin zij voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komen. Bij gebreke van een mogelijkheid om aan rehabilitatie te werken zal een herbeoordeling met het oog op de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling in feite kansloos zijn. De lidstaten moeten de mogelijkheid van rehabilitatie bieden, hetgeen niet wil zeggen dat zij garant staan voor daadwerkelijke rehabilitatie (§ 103 en 104). Gevangenen met geestelijke stoornissen moeten niet alleen worden onderzocht en gediagnosticeerd, maar de vastgestelde stoornissen moeten ook worden behandeld. Tot levenslang veroordeelden met een geestesstoornis moeten worden onderzocht met het oog op de behandeling die nodig is in verband met een eventuele rehabilitatie. Ook de kans van slagen van behandeling moet daarbij worden betrokken. Als een behandeling tot rehabilitatie kan voeren moet die behandeling ook, voor zover mogelijk binnen de gevangenismuren, worden aangeboden. Welke behandeling nodig is, staat ter vaststelling van de lidstaten. Zij hebben hier een brede "margin of appreciation". Aan de lidstaten mogen geen overspannen verplichtingen worden opgelegd. De lidstaten moeten zich inspannen maar hebben geen resultaatsverplichting. Als een gevangene ondanks deelneming aan een rehabilitatieprogramma gevaarlijk blijft voor de samenleving, mag de lidstaat de vrijheidsbeneming voortzetten (§ 105-111). De grote kamer komt dan tot de volgende slotsom:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a95ab3b57c222179f24a9a80a9796cfab780d9b03f4ddcf2499746ce0921df38. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a95ab3b57c222179f24a9a80a9796cfab780d9b03f4ddcf2499746ce0921df38, en de alinea staat in dat document op bytes 222283 tot 226429.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a95ab3b57c222179f24a9a80a9796cfab780d9b03f4ddcf2499746ce0921df38 | shasum -a 256