Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2016
Onder 5.30 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:41.
De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de rendementen in paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting zich verhouden tot de gemiddelde langetermijnrendementen zoals gepresenteerd door de Commissie Van Dijkhuizen. De Commissie Van Dijkhuizen heeft voor een aantal specifieke vermogenstitels het rendement in beeld gebracht (betaalrekening, spaarrekening en termijndeposito, de lange rente en aandelen) voor de periode 2001–2012. De beschreven vermogentitels omvatten niet het hele box 3-vermogen. In de memorie van toelichting is in beeld gebracht wat de in aanmerking te nemen rendementen zijn voor alle componenten van het box 3-vermogen. Voor de spaarrente stelt de commissie het vijfjaarsgemiddelde voor, zodat deze component overeenkomt met het kabinetsvoorstel. De commissie stelt voor dit percentage voor het gehele box 3-vermogen te gebruiken en in het kabinetsvoorstel geldt het alleen voor het spaardeel. Voor de obligaties presenteert de commissie evenals het kabinet als lange rente de rente op de meest recente 10-jarige staatsobligatie. De commissie berekent over de periode 2001–2012 een gemiddeld rendement van 3,8% hetgeen marginaal afwijkt van het voorstel van het kabinet (4%, het gemiddelde over de periode 2002–2008). Het grootste verschil treedt op bij aandelen. De commissie berekent voor de periode 2001–2012 een gemiddeld rendement van – 0,9%. Dit wijkt sterk af van de 8,25% in het voorstel van het kabinet. Het verschil is te verklaren door twee aspecten. In de eerste plaats heeft de commissie gekeken naar de ontwikkeling van de Nederlandse beurs en gaat het kabinet in het voorstel uit van de ontwikkelingen op de Europese beurzen. In de tweede plaats heeft de commissie gekeken naar het aandelenrendement over één specifieke periode, 2001–2012. Ultimo 2000 stond de Nederlandse beurs op een hoogtepunt, waarna twee slechte jaren volgden van respectievelijk – 19,2% en – 32,8%. Ultimo 2012 is de Nederlandse beurs daar nog niet geheel van hersteld. In het kabinetsvoorstel wordt het langetermijnrendement van de Europese beurzen berekend waarbij de invloed van bubbels en crises zoveel mogelijk is geëlimineerd. Dit komt uit op 8,25%. In de hierna opgenomen grafiek is weergegeven hoe dit langjarig rendement zich verhoudt tot de sterke koersfluctuaties van jaar op jaar. Voor individuele periodes kan het rendement, afhankelijk van het gekozen begin- en eindjaar veel lager (zoals in het voorbeeld van de commissie) of veel hoger uitvallen dan de langjarige trend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7991adaa762e4c2c1606b091202588bb99d7f51e2079afcc0bc61647051a42f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7991adaa762e4c2c1606b091202588bb99d7f51e2079afcc0bc61647051a42f8, en de alinea staat in dat document op bytes 49992 tot 52525.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7991adaa762e4c2c1606b091202588bb99d7f51e2079afcc0bc61647051a42f8 | shasum -a 256