Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016

Onder 5.35 Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:443.

(…) Slagter merkt hieromtrent zeer spitsvondig op dat men dus om vennoot te kunnen zijn altijd enige arbeid zal moeten worden ingebracht, anders kan er van samenwerking geen sprake zijn. Alhoewel sommige schrijvers aannemen dat reeds aan het samenwerkingsvereiste wordt voldaan door inbreng van goederen, ben ik van mening dat inbreng en samenwerking twee aparte vereisten zijn. Dit standpunt wordt ook verkondigd in HR 8 juli 1985, NJ 1986, 3258 m. n. Ma. De Hoge Raad constateert dat in de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de overeenkomst besloten ligt “dat deze overeenkomst niet ertoe strekt de partijen in actieve samenwerking in het economisch verkeer door middel van hun inbreng voordeel te doen behalen” (curs. van mij MvO). Algemeen wordt aangenomen dat niet iedere vennoot gehouden is tot inbreng van arbeid. Actieve samenwerking kan niet anders doelen dan op een zgn. “basissamenwerking”, het deelnemen aan de besluitvorming omtrent het te voeren beleid. Hiervan kan ook geen enkele vennoot worden uitgesloten. In dit verband zij opgemerkt dat het contractueel uitsluiten van beheersbevoegdheid van één der vennoten (art. 1673 en 1674) niet op de beleidsinvloed ziet en derhalve geoorloofd is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64a9f4635935ecadc600bd1dc0e5e397afb7547b33ec956e258de872970ae6d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64a9f4635935ecadc600bd1dc0e5e397afb7547b33ec956e258de872970ae6d4, en de alinea staat in dat document op bytes 130200 tot 131542.