Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Onder 5.7. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:460.

Het kennelijke oordeel van het hof dat de ‘verkeerscontrole’ onder het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv valt lijkt mij ( an sich) niet blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk. Het middel klaagt hierover dus onterecht. Maar zelfs als men dat anders zou zien is de boordeling van het (veronderstelde) vormverzuim aan de hand van de in art. 359a Sv besloten liggende factoren niet ‘verkeerd’. Ik merk daartoe op dat de omstandigheid dat het in casu begane verzuim bij de uitoefening van de controlebevoegdheid van art. 160 WVW 1994 niet onder het toepassingsbereik van art. 359a Sv valt, nog niet betekent dat daaraan door de strafrechter geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Ik verwijs in dit verband naar de daarop betrekking hebbende overweging uit het Zwolsman-arrest (NJ 1996/249), alsook naar het meer recente arrest HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2814, NJ 2013/415 , waaruit volgt dat ook verzuimen begaan buiten het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv tot een rechtsgevolg als bewijsuitsluiting kunnen leiden. Daarover zegt Kuiper:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 78721 tot 79974.