Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Onder 2.4.4. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:460.

Toepassing van bewijsuitsluiting kan noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de rechtspraak over schending van het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349) of op de rechtspraak over door de verdachte afgelegde verklaringen tegenover een undercoveragent die zich heeft voorgedaan als medegedetineerde van de verdachte (vgl. HR 28 maart 2006, LJN AU5471, NJ 2007/38). In dergelijke gevallen is - zodra vaststaat dat zich een zodanig vormverzuim heeft voorgedaan - de ruimte om na afweging van de in 2.4.1 genoemde factoren af te zien van de toepassing van bewijsuitsluiting (zeer) beperkt, zoals ook tot uitdrukking komt in de rechtspraak van de Hoge Raad over schending van het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor die is gevolgd op voormeld arrest van 30 juni 2009.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 89303 tot 90321.