Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Onder 4.2. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:460.

Het gaat - zo leid ik uit overwegingen van het hof af - om de bevoegdheid van art. 160 WVW 1994. Laat ik beginnen met de opmerking dat het niet voor het eerst is dat de Hoge Raad zich gesteld ziet voor de vraag of het aanwenden van een controle- of toezichthoudende bevoegdheid ten behoeve van de opsporing (in ruime zin) van een strafbaar feit, in strijd is met het beginsel van zuiverheid van oogmerk, oftewel een oneigenlijk gebruik van de desbetreffende bevoegdheid (détournement de pouvoir) oplevert; ook niet waar het gaat om de controlebevoegdheid van art. 160 WVW 1994. Ik verwijs in dit verband naar HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670, NJ 2006/653, waarin de Hoge Raad het volgende kader aanreikt waarbinnen de vraag of sprake is geweest van oneigenlijk gebruik van deze controlebevoegdheid moet worden beantwoord:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 46006 tot 46853.