Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Onder 4.3. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:460.
Of het ten behoeve van de opsporing van een strafbaar feit aanwenden van de aan art. 160 WVW 1994 ontleende bevoegdheid al dan niet een oneigenlijk gebruik van die bevoegdheid oplevert, is een vraag die in de literatuur al een hele lange tijd is bediscussieerd. Het gegeven startsein voor die wetenschappelijke discussie kan wel op naam gezet worden van F. Vellinga-Schootstra, in het nadien veelvuldig aangehaalde artikel “Stop!; In naam der wet?”, in Delikt en Delinkwent van 1982. Toen ging het nog om de bevoegdheid om via een bevel op basis van de Wegenverkeerswet de verdachte aan te houden in de zin van art. 52 Sv. De vermenging van de verkeersrechtelijke bevoegdheid met andersoortig optreden was toen nog niet zo aan de orde maar is daar later bij gekomen. Het is naar ik meen niet nodig om die discussie hier (in extenso) weer te geven, omdat die deels niet raakt aan de specifieke kenmerken van onderhavige zaak en bovendien de kwestie in cassatie al meermalen is opgeworpen. In zoverre omvat de onderhavige zaak niet veel nieuws. De koers van de Hoge Raad lijkt sinds NJ 2006/653 duidelijk en is ook ongewijzigd gebleven: zolang de controlebevoegdheid niet uitsluitend is c.q. wordt gebruikt voor een ander doel, in het bijzonder het verrichten van opsporingshandelingen, zal er geen sprake zijn van détournement de pouvoir.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 48829 tot 50376.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1 | shasum -a 256