Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Onder 4.6. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:460.
Ik heb mij daarom afgevraagd of het ‘beoordelingskader’ dat in NJ 2006/653 wordt aangereikt zich ook leent voor de beoordeling van een geval als het onderhavige, waarin nog geen sprake is van opsporing in de enge zin als bedoeld in dat arrest. Al snel ben ik, gezien de vooropstelling in rov. 3.5.1 van het arrest, van die twijfel afgestapt. Want - is mijn oordeel - als het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door politieambtenaren, waarom zou in die fase waarin niet of onvoldoende vaststaat dat een strafbaar feit is of wordt gepleegd (en dus ook nog niet een verdachte als bedoeld in art. 27 Sv aanwijsbaar is), geen controlebevoegdheden mogen worden aangewend door de onderzoekende politieambtenaren? Mits - zo stelt de Hoge Raad als eis - bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte - waarvan in de proactieve fase, als het goed is, nog geen sprake is - de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 58055 tot 59145.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1 | shasum -a 256