Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Onder 4.7. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:460.
Concluderend kom ik dus tot het oordeel dat de enkele omstandigheid dat sprake is van proactief opsporen van strafbare feiten door politieambtenaren, niet eraan in de weg staat dat in dat kader door die ambtenaren controlebevoegdheden worden aangewend , zolang de door de Hoge Raad gestelde ‘grenzen’ ten aanzien van het aanwenden van die bevoegdheden ten behoeve van (proactief) opsporen worden geëerbiedigd. Als grens heeft de Hoge Raad in NJ 2006/653, waar het ging om de bevoegdheid van art. 160 WVW 1994, dan ook gesteld dat: “de (…) politieambtenaren deze bevoegdheid - in ieder geval mede - [moeten] hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde voorschriften (…)” en “de controlebevoegdheid [dus niet] uitsluitend is gebruikt voor een ander doel, te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen, dan waarvoor deze is verleend”.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1, en de alinea staat in dat document op bytes 59229 tot 60234.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/83734eb62b76522bf37e9f8899eb8d4b1b9ae1f287f0104ace116270eb3bb8b1 | shasum -a 256