Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 2.17. Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:471.

In het strafprocesrecht gelden voor de strafoplegging, ook in hoger beroep, wettelijke motiveringsvoorschriften. Art. 359 lid 5 Sv bepaalt dat het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. Het zesde lid geeft extra voorschriften voor het motiveren van de oplegging van een straf of maatregel die tot vrijheidsbeneming leidt. In de jurisprudentie van de Hoge Raad over motiveringsklachten met betrekking tot de straftoemeting is het zogenaamde ‘verbazingscriterium’ ontwikkeld. Dit criterium is ook wel eens gebruikt indien in hoger beroep sprake is van een aanmerkelijk zwaardere straf dan de straftoemeting in eerste aanleg, zonder dat de appelrechter een verklaring geeft voor deze afwijking en zonder dat de afwijking wordt verklaard door een verschil in de bewezenverklaring of in de kwalificatie van hetgeen in hoger beroep bewezen is verklaarde . Het ‘verbazingscriterium’ stelt eisen aan de motivering en is dus iets anders dan het leerstuk van de verrassingsbeslissing. Het leerstuk van de verrassingsbeslissing houdt verband met een goede procesorde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/296c5343b219bd85ac85607348552f301adc1e7bc4e4ccb06ff62a3a52aa38c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 296c5343b219bd85ac85607348552f301adc1e7bc4e4ccb06ff62a3a52aa38c0, en de alinea staat in dat document op bytes 30300 tot 31507.