Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 2.18. Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:471.

Het begrip verrassingsbeslissing is niet in de wet omschreven . Het geldt als een fundamenteel beginsel van procesrecht, dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden . Het verwachtingspatroon van een procespartij kan worden beïnvloed door het partijdebat, maar ook door vragen die de rechter tijdens een mondelinge behandeling heeft gesteld of door de inhoud van een tussenvonnis. Wanneer de zaak vervolgens wordt afgedaan op een heel andere grondslag dan die, welke in de loop van de behandeling aan de orde is geweest, kan een procespartij zich door de rechter ‘overvallen’ voelen. Dit weegt vooral zwaar in die gevallen, waarin hoger beroep niet meer mogelijk is . Anderzijds bevat deze rechtsregel een normatief element. Het gaat niet alleen om de vraag met welke mogelijke rechterlijke beslissing(en) een procespartij feitelijk rekening hééft gehouden, maar om de vraag: met welke mogelijke rechterlijke beslissing(en) een procespartij redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/296c5343b219bd85ac85607348552f301adc1e7bc4e4ccb06ff62a3a52aa38c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 296c5343b219bd85ac85607348552f301adc1e7bc4e4ccb06ff62a3a52aa38c0, en de alinea staat in dat document op bytes 31588 tot 33027.