Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 5 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:473.

Dat het hof zich de consequenties van de twee afzonderlijke regimes onvoldoende realiseert, kan ook verklaren dat het in rov. 3.7.1 begint met art. 3:319 BW om pas aan het slot van deze rechtsoverweging bij de art. 3:324-325 BW uit te komen, terwijl de omgekeerde volgorde aangewezen is: de regeling van art. 3:324-325 BW met betrekking tot de verjaring van de executiebevoegdheid verwijst terug naar art. 3:319 BW dat voor verjaring van rechtsvorderingen geschreven is maar van overeenkomstige toepassing is verklaard.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 79407 tot 79939.