Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016
Onder 5 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:473.
Over deze sequeel -redenering heb ik hiervoor onder 34-35 al de staf gebroken. De samenhang die het hof veronderstelt tussen de genoemde artikelen wordt ondergraven, doordat art. 3:316 BW en art. 3:324 BW niet op dezelfde manier zijn opgebouwd. In art. 3:325 BW wordt daarbij wel art. 3:319 BW van overeenkomstige toepassing verklaard, maar niet art. 3:316 BW. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij art. 3:324 BW blijkt dat de verjaring van een rechtsvordering en de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak twee onderscheiden trajecten zijn. Weliswaar bouwen deze trajecten op elkaar voort en zijn ze op elkaar geïnspireerd (hiervoor 17 e.v.), maar dat betekent nog niet dat bij toepassing van het regime met betrekking tot de verjaring van de executiebevoegdheid inhoudelijk moet worden aangesloten bij het regime van art. 3:316 BW (instellen van een eis) dat nu juist voor verjaring van rechtsvorderingen is geschreven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 92190 tot 93205.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f | shasum -a 256