Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 4 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:473.

13. Dat doet vervolgens de vraag rijzen of het hof in de rov. 3.8 e.v. inderdaad zelfstandige, niet op de redenering in rov. 3.7-3.7.2 gebaseerde, oordelen geeft over de vraag of [verweerder] een beroepsfout kan worden verweten. Hoewel de woorden van het hof hier niet steeds gelukkig zijn, is dat strikt genomen niet het geval nu het hof in rov. 3.8 uit het onder 3.7 door hem overwogene afleidt (1) dat ‘ofschoon de letterlijke tekst van artikel 3:319 BW daarover wellicht vragen openlaat, uit de parlementaire geschiedenis van dat artikel, de relevante literatuur en jurisprudentie in 2007 eensluidend bleek dat het leggen van executoriaal beslag voortdurende stuitende (blokkerende) werking heeft’ en het vervolgens (2) op basis van deze parlementaire geschiedenis, literatuur en jurisprudentie oordeelt dat een redelijk handelende en redelijk bekwaam advocaat er ‘dan ook’ vanuit mocht gaan dat de verjaring gestuit blijft en (3) dat van hem ‘dan ook’ niet kon worden verlangd dat hij nadere stuitingshandelingen zou verrichten. En ‘dat’ betekent dat [verweerder] geen beroepsfout heeft gemaakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 35707 tot 36837.