Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 5 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:473.

18. In het wettelijk systeem wordt daarmee onderscheid gemaakt tussen verjaring van een rechtsvordering (in casu verbonden aan een vorderingsrecht van Pegroam op [betrokkene 2]) en verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een uitspraak (hierna ook wel: de executiebevoegdheid). Zolang zo’n uitspraak er nog niet is, geldt het voor de verjaring van een rechtsvordering geschreven regime, maar zodra zo’n uitspraak er is, heeft men met het voor de verjaring van een rechtsvordering geschreven regime niet langer te maken. Dan is enkel nog relevant de vraag wanneer de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraak verjaart. Is eenmaal een toewijzende uitspraak verkregen dan begint, zo blijkt derhalve uit art. 3:324 BW, een andere verjaring te lopen, nu van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van deze uitspraak. De verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging is daarmee in de plaats gekomen van de verjaring van de rechtsvordering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 22f94d47fb3d39e60cb96f422326f2f54d0afa1d2785ff3339f324b974239f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 41887 tot 43055.