Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016

Onder 2.11 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:50.

Het hof ziet evenwel aanleiding, mede gelet op het debat van partijen, deze vraag alsnog te beantwoorden. Het hof is, met [verweerder] , van oordeel dat voldoende is gebleken dat hij op 5 juni 1996 een nieuwe aanvraag heeft gedaan. De gemeente heeft dit in haar akte van 28 augustus 2013 immers niet bestreden; zij heeft zelfs gesteld dat zij bij haar brief van 21 november 1996 heeft aangegeven dat de aanvraag hoogstwaarschijnlijk zou stranden (akte sub 17), dat [verweerder] de gemeente met de aanvraag van 6 juni 1996 op een verkeerd spoor heeft gezet, dat [verweerder] nog na de brief van november 1996 meer dan een half jaar op die weg wilde doorgaan (sub 18) en dat de gestelde telefonische contacten van [verweerder] met de gemeente kennelijk betrekking hadden op de aanvraag van 6 juni 1996 (sub 19). Dit betekent dat ook in de (in elk geval impliciete) visie van de gemeente sprake was van een aanvraag. Dat de gemeente later in de procedure (bij antwoordakte), nadat [verweerder] de aanvraag en bijhorende stukken bij akte in het geding heeft gebracht (producties 4, 5 en 6 bij akte), alsnog heeft betwist dat uit deze stukken kan worden afgeleid dat de aanvraag ook daadwerkelijk bij haar is ingediend (antwoordakte sub 12), is onvoldoende gemotiveerd. De uitdrukkelijke stelling van [verweerder] dat hij de aanvraag ter hand heeft gesteld aan mevrouw Arkink van de gemeente (akte uitlating verweren van 25 februari 2014 onder punt 19) is daarmee immers niet (voldoende) weersproken, ook niet in de antwoordakte van de gemeente. Het aanbod van de gemeente tot bewijslevering wordt gepasseerd, nu dit aanbod slechts ziet op het bewijs van het ontbreken van een aanvraag in de gemeentelijke administratie en de gebruikelijke gemeentelijke registratiewijze van een aanvraag, maar niet op de vraag of de aanvraag is ingediend op de wijze zoals [verweerder] heeft gesteld. De stelling dat de gemeente reeds op de comparitie zou hebben verklaard dat de aanvraag niet is ingediend (antwoordakte sub 19 bovenaan) wordt gepasseerd, nu daarvoor in het proces-verbaal van de comparitie van partijen geen aanknopingspunt is te vinden. In het proces-verbaal is opgenomen: “ Van de kant van de gemeente wordt aangegeven dat uit onderzoek van de dossiers is gebleken dat de gemeente niet een aanvraag van [verweerder] bekend is ”. Dit sluit aan bij de eerdere en latere stellingen van de gemeente en ziet op de kwestie of een aanvraag in de gemeentelijke administratie aanwezig is. Dat er geen aanvraag zou zijn geweest op de wijze zoals [verweerder] heeft gesteld, blijkt evenwel niet uit deze passage. Dat het proces-verbaal onjuist of onvolledig zou zijn, is gesteld noch gebleken. Het hof wijst er in dat verband nog op dat ook [betrokkene] van DLV Bouw Milieu Techniek, adviseur van [verweerder] , er reeds in 2002 vanuit ging dat er in juni 1996 een aanvraag was ingediend die nog steeds bij de gemeente lag en nog niet behandeld was, zoals blijkt uit de notitie van 26 maart 2002 (productie 12 bij akte uitlating verweren van [verweerder] , pagina’s 3 en 7). Daarmee verwerpt het hof de stelling van de gemeente dat de aanvraag niet is ingediend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/29da6a4968160b35a4712976363069df984be1f8257348506eba22a30c42cb6b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 29da6a4968160b35a4712976363069df984be1f8257348506eba22a30c42cb6b, en de alinea staat in dat document op bytes 33427 tot 36629.