Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2016

Alinea 136 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:509.

26. Vooropgesteld moet worden, aldus HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236 m.nt. Vellinga-Schootstra, dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden en dat de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden dan wel het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht - ook volgens de wetsgeschiedenis - voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben. Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij in een uitspraak waarin ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als zijn oordeel tot uitdrukking dienen te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1f3af399ad965b9371bcc2eefa17739f72ccd216f7ab9fa76ee963a891d4d706. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1f3af399ad965b9371bcc2eefa17739f72ccd216f7ab9fa76ee963a891d4d706, en de alinea staat in dat document op bytes 51618 tot 52903.