Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2016
Alinea 94 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:509.
Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] verklaren onafhankelijk van elkaar dat verdachte hun werkroosters wist en dat hij langskwam op momenten waarvan hij wist dat ze vrij waren. Voorts geeft het dossier blijk van het feit dat verdachte in zeer grote mate telefonisch contact met [slachtoffer 2] heeft gezocht. Een groot deel van de verzonden sms’jes was seksueel getint, hetgeen de verdachte ter zitting heeft bekend. Ook heeft verdachte vanaf zijn zakelijke e- mailaccount bij [A] een e-mailwisseling met [slachtoffer 2] onderhouden, die naar het oordeel van de rechtbank niet als zakelijk kan worden aangemerkt. Ditzelfde gebeurde ten aanzien van [slachtoffer 1] . Aan verdachte is meegedeeld dat [slachtoffer 2] een officiële klacht tegen hem had ingediend bij [A] . Zonder dat hem was meegedeeld wat de inhoud van de klacht was, beaamde verdachte dat er iets fout was gegaan en dat hij de volgende ochtend gelijk zijn excuses aan [slachtoffer 2] had aangeboden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met deze reactie doelde op zijn sms-gedrag jegens [slachtoffer 2] . De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, nu verdachte in zijn reactie op de klacht specifiek zegt ‘de volgende ochtend’ terwijl hij niet eenmalig, maar in grote mate gedurende een langere periode, seksueel getinte sms’jes heeft verzonden aan [slachtoffer 2] . Beide aangeefsters hebben verklaard dat het lichamelijke contact van de verdachte jegens hen, vanaf het moment dat hij seksueel getinte sms’jes verzond, langzaam toenam en over ging in betasten. Aangeefsters verklaren afzonderlijk onder andere over nagenoeg identieke handelingen, te weten het betasten van de borsten onder de kleding, het betasten van de schaamstreek en de hand van aangeefsters richting zijn penis brengen. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de gang van zaken in beide zaken op bovengenoemde, essentiële punten overeenkomt zodat er sprake is van feiten die voor wat betreft het patroon van handelen gelijksoortig zijn. De aangifte van [slachtoffer 2] wordt in voldoende mate ondersteund door overige bewijsmiddelen. Mitsdien, alles in samenhang bezien, is er voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig. De rechtbank heeft uit die wettige bewijsmiddelen voorts de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1f3af399ad965b9371bcc2eefa17739f72ccd216f7ab9fa76ee963a891d4d706. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1f3af399ad965b9371bcc2eefa17739f72ccd216f7ab9fa76ee963a891d4d706, en de alinea staat in dat document op bytes 36022 tot 38414.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1f3af399ad965b9371bcc2eefa17739f72ccd216f7ab9fa76ee963a891d4d706 | shasum -a 256