Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016

Onder 2.10 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:51.

De verificatieprocedure bevat overeenkomsten met een ‘normale’ dagvaardingsprocedure die eindigt in een rechterlijke uitspraak. In een dagvaardingsprocedure kan een crediteur zijn debiteur buiten faillissement in rechte betrekken om een titel te halen om die vervolgens ten uitvoer te leggen op diens hele vermogen, met een verjaringstermijn van twintig jaar voor die titel volgens art. 3:324 BW. Binnen faillissement is de enige “executiemogelijkheid” voor een schuldeiser: indienen van zijn vordering ter verificatie, vgl. art. 26 Fw. Pas door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst herkrijgen crediteuren voor zover zij onvoldaan zijn gelaten hun “gewone” executiemogelijkheden op het vermogen van de debiteur volgens art. 195 Fw. In dit licht moet het kracht van gewijsde zaak uit art. 196 Fw worden gezien; dat is de “binnen faillissement” gehaalde titel, als het ware. De parlementaire geschiedenis verduidelijkt dat de erkenning zoals die blijkt uit het p-v van de verificatievergadering “met een rechterlijk gewijsde gelijkgesteld wordt”. Het effect is als het ware hetzelfde: onherroepelijke vaststelling van de vordering. Dat vervolgens voor deze vaststellingsvorm een zelfde verjaringstermijn geldt als voor een “buiten faillissement” gehaalde titel in een dagvaardingsprocedure, ligt wel enigszins in de rede. Te meer als daarbij bedacht wordt dat er mogelijk voorafgaand aan het faillissement al een titel was verkregen voor dezelfde vordering, waarvoor de gewone verjaringstermijn van twintig jaar uit art. 3:324 BW dus gold. Dan valt niet in te zien waarom de titel voor dezelfde vordering na faillissement volgens art. 36 Fw zou verjaren binnen zes maanden na einde faillissement. Die eerste titel is in het stelsel van de Faillissementswet immers verloren gegaan door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Ik zie, met de Bank, vgl. s.t. onder 18, geen aansprekende ratio voor dat onderscheid. Overigens is langs dezelfde lijnen te betogen dat het evenmin de bedoeling kan zijn, zoals Schoordijk en Wessels menen, dat een vordering krachtens bedoeld p-v nooit zou verjaren; ook dat is een ongerijmd onderscheid tussen binnen en buiten faillissement.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530, en de alinea staat in dat document op bytes 32250 tot 34538.