Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Onder 2.11 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:51.
Ook als gelet wordt op de ratio van de langere verjaringstermijn van art. 3:324 BW (vlg. hiervoor in 2.3) is deze parallel goed vol te houden. Door de erkenning van de schuldvordering in faillissement komt de vordering van de schuldeiser in het faillissement ten opzichte van zijn medeschuldeisers, de curator en de gefailleerde onherroepelijk vast te staan. Dat is een vergelijkbare situatie als bij een executabele rechterlijke/arbitrale uitspraak: de schuldeiser verkrijgt een executiebevoegdheid op de schuldenaar en dan heeft die laatste geen belang meer bij een korte verjaringstermijn vanwege zijn bewijspositie. Dus de ratio voor een korte verjaringstermijn ontbreekt in beide situaties.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530, en de alinea staat in dat document op bytes 34618 tot 35390.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530 | shasum -a 256