Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Onder 2.13 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:51.
Mogelijk is uit de rechtspraak over verjaring van executoriale titels bij dwangsommen indirect een argument te ontlenen voor analogische toepassing van art. 3:319 en 3:324 BW buiten het geval van rechterlijke of arbitraire uitspraken (vgl. s.t. van de Bank onder 8 en 9). In 2002 oordeelde Uw Raad dat de aard van de rechtsverhouding tussen een bestuursorgaan en degene die een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd zich niet verzet tegen overeenkomstige toepassing van de in Boek 3 titel 11 BW opgenomen bepalingen omtrent de stuiting van bevrijdende verjaring. In die zaak was overigens de hoofdregel van art. 3:319 BW van toepassing, omdat betekening van dwangbevelen (gevolgd door afwijzing van het verzet) niet kon worden aangemerkt als, of op een lijn gesteld kon worden met, het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd in de zin van art. 3:319 BW. Betoogd kan worden dat een p-v van een verificatievergadering waarin een niet-betwiste vordering staat wel op een lijn kan worden geplaatst met een rechterlijke uitspraak in de hier bedoelde zin.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530, en de alinea staat in dat document op bytes 36436 tot 37643.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530 | shasum -a 256