Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:51.
Annotator Biemans acht de uitspraak van het Amsterdamse hof in onze zaak ook juist (onder 3); hij is dus voor het trekken van deze analogie. Hij werpt (onder 4 en 5) de vraag op wat dan nog de betekenis is van art. 36 lid 1 Fw . Zou dit artikel van toepassing zijn op een ingediende en erkende vordering, dan zou een crediteur van zo’n vordering slechter af zijn bij aanmelding ter verificatie, dan wanneer hij dat niet zou doen – andermaal een ongerijmd resultaat. Hij ziet wel nog betekenis van deze bepaling voor vorderingen die ter verificatie ingediend hadden moeten worden, maar dat niet zijn. Hij tekent onder 5 van zijn noot aan dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 36 Fw volgt dat het faillissement tot verlenging van de verjaringstermijn leidt, maar dat die regel volgens hem niet van toepassing is als die vordering ter verificatie is ingediend en erkend, omdat het ter verificatie indienen stuiting van de verjaring tot gevolg heeft. Door het kracht van gewijsde krijgen tegen de ex-failliet is na afloop van het faillissement een nieuwe verjaringstermijn van 20 jaar gaan lopen. Ook art. 36 Fw vormt zo bezien geen beletsel tegen aanvaarding van analoge toepassing van art. 3:324 BW.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530, en de alinea staat in dat document op bytes 37723 tot 39073.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530 | shasum -a 256