Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Onder 2.21 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:51.
Het vorenstaande leidt ertoe dat ik bepleit het middel ongegrond te achten. Gelet op de inhoud (en misschien kan daar in mindere mate bij: de totstandkoming) van een in een proces-verbaal van de verificatievergadering voorkomende lijst van erkende vorderingen is er volgens mij sprake van een zodanige parallel met de inhoud van een rechterlijke (of arbitrale) uitspraak, dat analoge toepassing van art. 3:324 BW in dit geval (anders dan bij een in een proces-verbaal van comparitie van partijen vastgelegde schikking of bij een overeenkomst in een notariële akte) wel is aangewezen. Daarmee wordt voorkomen dat een aantal ongerijmde verschillen zouden ontstaan bij verjaringskwesties buiten en na faillissement, waarvoor ik geen aansprekende grond zie. Dat breng mee dat het cassatieberoep niet opgaat.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530, en de alinea staat in dat document op bytes 46795 tot 47612.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fcdd07ba8ef6c86e14e5b36bf7030297d7d259f2a049985a53fa378643f80530 | shasum -a 256