Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016
Onder 4.15 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:513.
De tweede klacht van het onderdeel – dat de aanvullende eis dat niet te lang gewacht mag worden na het kenbaar maken van de bezwaren, ook in art. 2:273 BWC/2:349 lid 1 BW besloten ligt – faalt eveneens. Evenmin als in de kapitaalseis een dergelijke aanvullende eis van voortvarendheid besloten ligt, is dat het geval bij de verplichting om de bezwaren kenbaar te maken. Ik verwijs naar hetgeen ik in dat kader al opmerkte. Opmerking verdient nog dat art. 2:273 BWC juist eist dat lang genoeg wordt gewacht, alvorens een enquêteverzoek wordt gedaan. De strekking van de bepaling is niet zozeer de bescherming van de rechtspersoon tegen een te lang uitgebleven verzoek, maar tegen het niet ‘rauwelijks’ met een verzoek geconfronteerd worden, en daarmee verstoken te worden van de mogelijkheid om op enige wijze te reageren op de gevoelde bezwaren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab, en de alinea staat in dat document op bytes 54489 tot 55455.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab | shasum -a 256