Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Onder 4.25 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:513.

Een praktisch kijk op de materie versterkt de voorgaande conclusie. Zeker voor het Curaçaose recht, met zijn korte zes-maands-vervaltermijn geldt dat het een onwerkbare situatie zou opleveren, wanneer de vervaltermijn wél in acht zou moeten worden genomen bij het treffen van de definitieve voorziening van art. 2:283 jo. 2:276 lid 3 sub a BWC (schorsing/intrekking etc. van een besluit). Deze definitieve voorziening is pas aan de orde in de zgn. tweede fase van de enquêteprocedure, na het plaatsvinden van een onderzoek en de vaststelling van wanbeleid. Het is weinig realistisch te verwachten dat dit stadium van de procedure binnen de zes maanden van art. 2:21 lid 4 BWC kan worden bereikt. Zou worden aangenomen dat toch aan die termijn moet worden vastgehouden, dan zou dit de mogelijkheid om een besluit bij wijze van voorziening aan te tasten, zinledig maken. Voor de Nederlandse termijn van een jaar is dat, praktisch gesproken, niet anders.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab, en de alinea staat in dat document op bytes 61133 tot 62165.