Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016
Onder 3.11 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:513.
Laat het leerstuk van rechtsverwerking zich ook toepassen op (procesrechtelijke bevoegdheden in het kader van) het enquêterecht? Het enquêterecht is ingebed in het ondernemingsrecht, waar de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ook een plaats heeft (art. 2:8 lid 2 BW/art. 2:7 lid 2 BWC) ; hetgeen een argument vóór is, omdat rechtsverwerking daarop gebaseerd is. Het enquêterecht heeft voorts een sterk procesrechtelijk karakter, en ook van het procesrecht (in het algemeen) wordt aangenomen dat rechtsverwerking daar, al dan niet in de vorm van zijn evenknie de goede procesorde, toepassing kan vinden. Ook in zoverre een argument vóór. Daartégen zou kunnen pleiten dat de aard van de bevoegdheid om een enquêteverzoek te doen, toepassing van een in eerste instantie voor verbintenisrechtelijke verhoudingen ontwikkeld leerstuk minder voor de hand liggend maakt. De enquêteprocedure is niet (naar zijn aard, anders dan vaak naar zijn uitwerking) een contentieus gebeuren, en heeft doeleinden die óók particuliere belangen overstijgen. Verwerking van het enquêterecht zou tegen die achtergrond, zo al, dan toch terughoudend moeten worden aangenomen. Wat daar verder ook van zij, ik constateer dat in de literatuur lijkt te worden aangenomen dat ook het recht om een enquêteverzoek te doen aan verwerking bloot kan staan, , evenals de Nederlandse Ondernemingskamer dat blijkens haar rechtspraak doet. De Hoge Raad heeft zich hierover nog niet uitgelaten. Ik neem, met de cassatiemiddelen, in deze zaak de mogelijkheid van verwerking van het recht van enquête tot uitgangspunt. Dit betekent niet dat het enkele verloop van tijd of het enkele geruime tijd stilzitten geen rol kunnen spelen bij de vraag of een enquête toegewezen kan worden. Van belang hierbij is dat de Ondernemingskamer – voor Curaçao: het Gemeenschappelijk hof – een enquêteverzoek niet (dwingend) hoeft toe te wijzen, maar altijd een belangenafweging dient te maken (art. 2:350 BW / 2:274 BWC ). Maeijer wijdt aan de verhouding tussen de rechtsverwerking en de belangenafweging een verhelderende beschouwing in zijn noot onder HR 20 november 1996, NJ 1997, 188. Hij schrijft daar:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab, en de alinea staat in dat document op bytes 32467 tot 35150.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cf38f08105131fe4f9c0402bab0195678965a45882b4cf4254b96afffef75fab | shasum -a 256