Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:533.

Problemen ontstaan in het geval dat pas geruime tijd na de ingangsdatum komt vast te staan dat een werkgever onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds valt terwijl hij van een andere pensioenvoorziening (deelname in een ander bedrijfstakpensioenfonds of een andere pensioenregeling) is uitgegaan. In de literatuur wordt aangenomen dat in zo’n geval sprake kan zijn van dubbele pensioenopbouw als de werkgever onder de werkingssfeer van twee bedrijfstakpensioenfondsen valt of, vaker voorkomend, als hij pensioenovereenkomsten met zijn werknemers heeft gesloten en deze bij een andere uitvoerder heeft ondergebracht. Vanuit het perspectief van de werkgever rijst dan de vraag hoe moet worden omgegaan met de dubbele premielast. Wanneer achteraf blijkt dat premies aan het verkeerde, niet verplichte bedrijfstakpensioenfonds zijn betaald is denkbaar dat die premies op grond van onverschuldigde betaling worden teruggevorderd. Deze mogelijkheid kan beperkt zijn door een beroep van het fonds op de verjaringstermijn van vijf jaar (3:309 BW). Wanneer premies aan een andere type pensioenuitvoerder (bij voorbeeld een verzekeraar) zijn betaald, is dat terugvorderen nog ingewikkelder en meestal niet mogelijk. Ik ga hier verder niet op.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3e8240dd9072c2481b52ab380ce2678f1f665784812c5600827d0ef5ad0e1745. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3e8240dd9072c2481b52ab380ce2678f1f665784812c5600827d0ef5ad0e1745, en de alinea staat in dat document op bytes 36999 tot 38454.