Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Onder 8.6. Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:546.

Hoewel het arrest van de Eindhovense brandstichting nog in alle handboeken over het strafrecht wordt beschreven – het behoort zodoende tot de canon van de Nederlandse strafrechtsdogmatiek – wordt met dit criterium bepaald niet meer het geldende recht aangegeven. Het criterium voor het aannemen van een begin van uitvoering luidt immers, sinds het Cito-arrest , of een gedraging is verricht welke naar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het misdrijf. Dit criterium – hoewel enigszins onbepaald – zou tot meer bevredigende resultaten behoren te leiden dan dat uit het Eindhovense brandstichtingsarrest. Het zwakke punt daarvan was dat de facto nauwelijks ruimte was om een strafbare poging aan te nemen. Als voor het begin van uitvoering vereist is dat ‘aan het touwtje’ wordt getrokken zou – behoudens onvoorziene tegenslag – het delict immers dadelijk zijn voltooid. Intussen zou niet kunnen worden ingegrepen, met navenante grotere schade aan het te beschermen rechtsgoed. De Hullu merkt dan ook op dat hij zich niet kan voorstellen dat, gezet in de sleutel van het Cito-criterium, de casus van het Eindhovense brandstichtingsarrest niet tot een veroordeling zou hebben geleid. Daarbij tekent hij echter aan dat sinds de afzonderlijke strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen die vraag minder dringend is geworden. Waar het thans om gaat, zo vat ik zijn betoog samen, is om te komen tot een zinvolle onderscheiding van de poging met de – inmiddels strafbare – voorbereiding van art. 46 Sr. Daarbij is naar het mij voorkomt het een gelukkige omstandigheid dat het begrip voorbereiding – dat natuurlijk al langer als ‘tegenpool’ van het begin van uitvoering heeft gefigureerd (zie o.m. het hierboven weergegeven citaat uit het Eindhovense brandstichtings-arrest) – in de wet een omschrijving heeft gekregen. Strafbare voorbereiding doet zich volgens art. 46 Sr voor “wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.” Die omschrijving levert een nuttig handvat op om te kunnen onderscheiden van het begin van uitvoering, dus de extra omstandigheid waardoor de kwalificatiegrens van de poging wordt overschreden. Voor een begin van uitvoering lijkt mij dus – in beginsel - vereist dat meer uit de bewijsmiddelen blijkt dan de in art. 46 Sr omschreven gedragingen. Zo laat zich verklaren dat in het geval, waarin de handelingen van de verdachte niet meer inhielden dan het – met het voornemen brand te stichten – aanschaffen van benzine en het opslaan daarvan in een hok achter het in brand te stichten pand geen begin van uitvoering opleverde. Het met een bestelauto rijden naar de plaats waar het af te halen verboden vuurwerk reeds klaar stond kon wel als begin van uitvoering worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad. Evenzo – en qua uitkomst ook goed te onderscheiden van de Eindhovense brandstichting – het openzetten van de gaskranen van het fornuis en het daarna verlaten van de woning.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd56bc8187ef176dcea0cb69156de4ae13f6f561e5bee497bc03a0017662c3eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd56bc8187ef176dcea0cb69156de4ae13f6f561e5bee497bc03a0017662c3eb, en de alinea staat in dat document op bytes 98579 tot 102126.