Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Onder 11.6. Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:546.

Op grond van het bepaalde in art. 361 lid 3, Sv, welke bepaling ingevolgde art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend. De Hoge Raad acht het enkele noemen van het criterium van art. 361, derde lid, Sv in het algemeen voldoende als motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van een schadevergoedingsvordering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd56bc8187ef176dcea0cb69156de4ae13f6f561e5bee497bc03a0017662c3eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd56bc8187ef176dcea0cb69156de4ae13f6f561e5bee497bc03a0017662c3eb, en de alinea staat in dat document op bytes 115401 tot 116535.