Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Onder 11.7. Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:546.

Het hof heeft ten aanzien van de vorderingen die zien op de gederfde toekomstige inkomsten, de compensatie zelfwerkzaamheid tot en na 2013 en de kosten van rechtsbijstand overwogen dat zij een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en dat de benadeelde partij in zoverre niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Door aldus te oordelen heeft het hof het juiste criterium toegepast en was het op grond van art. 361 lid 3 jo. art. 415 lid 1 Sv niet gehouden tot een nadere motivering. Dit oordeel is zoals gezegd feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen de aard van de vordering en de daarmee samenhangende vragen van vaststelling van de omvang van de schadevordering. Daarbij neem ik de inhoud van de ingediende vordering, de bewezenverklaarde feiten en hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering naar voren is gebracht, in aanmerking. Anders dan de steller van het middel aanvoert, welk betoog overigens grotendeels neerkomt op een herhaling van een feitelijk betoog, was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd56bc8187ef176dcea0cb69156de4ae13f6f561e5bee497bc03a0017662c3eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd56bc8187ef176dcea0cb69156de4ae13f6f561e5bee497bc03a0017662c3eb, en de alinea staat in dat document op bytes 116600 tot 117805.