Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2016

Onder 3.18 Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:553.

Onder 3.1 klaagt FGH dat het Hof blijkens rov. 4.7 en de aanhef van rov. 4.9 een te beperkte uitleg aan haar grieven heeft gegeven. Zij verwijst naar een reeks vindplaatsen in feitelijke aanleg en stelt dat uit de daar betrokken stellingen redelijkerwijs niet anders kan worden geconcludeerd dan dat daarmee, ook in hoger beroep, is bedoeld te betogen dat geen volmacht is verstrekt tot doorhaling van het hypotheekrecht op het appartementsrecht A-13, zodat niet is voldaan aan de uit art. 3:36 BW voortvloeiende eis dat degene tegen wie de bescherming van die bepaling wordt ingeroepen de betreffende schijn in het leven heeft geroepen. In het licht daarvan zou ’s Hofs vaststelling in rov. 4.9 (i) dat in art. 6 NAA een onjuiste verklaring van FGH is neergelegd, en (ii) dat Fraanje op grond van die verklaring mocht aannemen dat FGH afstand had gedaan van haar hypotheekrecht op het appartementsrecht A-13, rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efcb0f0d0b3bf0bd52d31682599195fffeb866c3da640dd57b82090633d644ec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efcb0f0d0b3bf0bd52d31682599195fffeb866c3da640dd57b82090633d644ec, en de alinea staat in dat document op bytes 67362 tot 68452.