Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Onder 4.14 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:563.

“In 'Concernproblematiek: belastbaarheid van kostendoorberekeningen', Weekblad 2001/6442, blz. 959 verwoordde ik - samen met A.H. Bomer - het standpunt dat kostendoorberekeningen in beginsel belastbare prestaties zijn, doch onder omstandigheden buiten het gezichtsveld van de BTW moeten blijven op het moment dat geen rechtstreeks verband valt te onderkennen tussen het bedrag dat in rekening wordt gebracht als kosten en hetgeen daarvoor wordt ontvangen. Dit was ook het geval - zo stelden wij - op het moment dat duidelijk is dat in het geheel geen (individualiseerbaar) voordeel bij de betalende vennootschap is te onderkennen. Voor het aannemen van een prestatie zijn beide criteria van belang, doch bij kostendoorberekeningen ligt het niet altijd even duidelijk wat de betalende vennootschap nu precies ontvangt voor haar 'contributie' aan de concernleiding. Ook de concernleiding weet vaak niet welke gemaakte kosten specifiek betrekking hebben op welke concernvennootschap. Maar zij wil deze kosten in ieder geval vergoed zien en daarom worden met de betrokken vennootschappen afspraken over de kostenverdeling gemaakt. Als men de zaak HvJ EG 8 maart 1998, nr. 102/86 (Apple and Pear Development Council), Jurispr. 1988, blz. 1443, als leidraad neemt, waarin het ging om partijen die een jaarlijkse bijdrage moesten betalen aan een Council, lijkt het erom te gaan - wil een bijdrage belastbaar zijn - dat belanghebbende op basis van (binnen het concern gesloten) overeenkomsten recht zou moeten kunnen doen gelden op een bepaalde dienstverlening. Het Hof meent dat belanghebbende er niet in geslaagd is te ontkrachten dat een dergelijke dienstverlening heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad overweegt dat het Hof de bewijslast juist heeft verdeeld en dat het nu eenmaal zo is dat wie iets afwijkends wil - de onbelastbaarheid van een kostendoorberekening - de ingrediënten voor die onbelastbaarheid zelf moet aandragen. Dit klinkt redelijk, maar het is altijd lastiger om te bewijzen dat iets niet gebeurd of ontvangen is, dan dat dit wel het geval is. Rekening houdend met beide uitgangspunten zou het mijns inziens zo moeten zijn dat belanghebbende als eerste de plicht heeft om aannemelijk te maken (een begin moet geven van een bewijs) dat zij tegenover de betaling geen voordeel heeft ontvangen. Zelfs niet in de vorm van een recht op (feitelijke) dienstverlening waarvan zij naar believen gebruik kan maken en waarvoor zij niet extra hoeft te betalen ingeval zij daarvan gebruik zou maken (zie HvJ EG 21 maart 2002, nr. C-174/00 (Kennemer Golf & Country Club) V-N 2002/20.13). De andere partij dient dat dan te ontzenuwen. We moeten ervan uitgaan dat belanghebbende zelfs niet is geslaagd in het begin van een bewijs. Het Hof stelde: 'Zij heeft immers, hoewel dat op haar weg zou hebben gelegen, op geen enkele wijze - ook niet cijfermatig - uiteengezet in hoeverre (de door de Belgische vennootschap) gefactureerde kosten een rechtstreeks verband met daartegenover staande prestaties ontberen en/of slechts een doorberekening zijn van voor gemeenschappelijke rekening gemaakte kosten.' Dat is jammer, want de praktijk zou zijn geholpen met jurisprudentie over een voorbeeld (niet zijnde kosten voor gemene rekening) van een onbelastbare kostendoorberekening.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c65d1624bc45c80e5edf71d0336b987b30878cf8340ece45fd7c23074cf2240c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c65d1624bc45c80e5edf71d0336b987b30878cf8340ece45fd7c23074cf2240c, en de alinea staat in dat document op bytes 105214 tot 108506.