Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Onder 5.6 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:563.

Maar ik zie wel intern-procesrechtelijke bezwaren tegen toepassing van dat rechtsvermoeden in belanghebbendes geval. Die toepassing brengt in casu een procespartij (de fiscus) in een positie waarin hij moet bewijzen dat een niet nader aangeduide vermoede belaste prestatie, die niet bestaat uit medewerking aan waardeoverdracht, niet bestaat. Dat lijkt mij geen weerlegbaar, maar een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Ik meen dat een redelijke verdeling van de bewijslast in de weg staat aan een dergelijke probatio diabolica en dat de uniformiteit en de effectiviteit van EU-recht zich niet verzet tegen het voorkomen van onmogelijke bewijsposities. Het Hof heeft overwogen dat de inspecteur niet heeft gesteld dat het om verdeling van kosten voor gemene rekening ging, hetgeen suggereert dat aldus het rechtsvermoeden van het bestaan van een (andere) belaste prestatie ontzenuwd had kunnen worden, maar die stelling acht ik in casu bij voorbaat kansloos, gegeven dat de Pensioenwet bepaalde dat uitsluitend de belanghebbende een collectieve waardeoverdracht kon bewerkstelligen en gegeven uw boven (4.25 en 4.26) weergegeven, door de literatuur als zeer streng beschouwde criteria voor gemene-kostenverdeling waar de belanghebbende niet aan kan voldoen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c65d1624bc45c80e5edf71d0336b987b30878cf8340ece45fd7c23074cf2240c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c65d1624bc45c80e5edf71d0336b987b30878cf8340ece45fd7c23074cf2240c, en de alinea staat in dat document op bytes 140900 tot 142341.